Gehaald, gehaald, gehaald! Ik ben een Man van IJzer!

ik ben een ironman - gerard jager

IM Frankfurt 2018
De ochtendkoelte hing nog in de lucht. Een man dook in het water en zwom met krachtige slagen weg. Geen opspattend water, geen geblaas, alleen een kalme, bijna trage slag. Aan de overkant van het campingzwembadje keerde de man en zwom in dezelfde cadans terug. ‘Dat wil ik ook kunnen. Waarom kan ik dat niet? Als ik nog eens geblesseerd ben, ga ik leren zwemmen.‘ De volgende dag liep ik de Mont Ventoux op. En nu, zes jaar later, stond ik met 2500 anderen aan de start van mijn eerste hele triathlon.

Een mens weet niet waarom hij doet wat hij doet.

Het is geen sociale sport dat triathlon. Gesprekken gaan meestal zo: ‘Triathlon? Dat is toch fietsen, lopen en dan… zwemmen? O, lopen komt het laatst? En hoe ver is het dan? 3,8 km zwemmen, 185 km fietsen en dan nog een marathon? Jee, wat ver.’ Soms zeggen ze daarna nog: ‘Ik heb een oom/vader/ex-vriend en die loopt de marathon in 2:30 uur/fietste ongetraind Luik-Bastenaken-Luik/was vroeger juniorenkampioen 100 meter vrije slag’.

Als het gesprek dan nog steeds niet voorbij is, zeggen ze: ‘Kost dat niet veel tijd om te trainen?’ Ik heb het wel eens aan een pianospeler gevraagd: ‘Kost dat niet veel tijd, dat oefenen? En klagen je partner en je kinderen daar dan niet over? ‘Nee’ zei de pianiste. ‘Nou’ zei haar partner. Maar ik was de eerste die er naar vroeg. Triathlon trekt vragen over je relatie aan als stroop vliegen. Het is geen sociale sport, behalve dan met andere triatleten.

De badmuts trekt de huid van mijn gezicht nog strakker dan die al staat. Mijn god wat ben ik zenuwachtig. Het is angst, in vele vormen, die twijfel zaait of ik het ga halen. ’s Nachts droom ik van eindeloze wisselzones, fietsroutes zonder fiets of ben ik al uitgestapt zonder dat ik meer weet waarom. Overdag denk ik dat ik niet meer levend word als ik met fietsen doodga, aan alle trainingen die ik miste en nooit meer in kan halen maar ik geloof nooit echt dat ik het niet af ga maken. Ik weet dat angst erbij hoort. Natuurlijk ben ik zenuwachtig, het is spannend. Dat hoort er juist bij. Het maakt me niet uit.

Bij de triatleten om mij heen check ik hun zwemtijden. Schoorvoetend bekennen ze rond de 1 uur 20 minuten te willen zwemmen. Mooi zo, ik sta goed. Na eindeloos wachten klinkt een knal. Een zee van mannetjes in zwarte duikpakken en blauwe en roze badmutsen zet zich in beweging. Als visjes springen ver voor me de eerste armen het water uit en in.

Ondanks de rollende start, waarbij je met mensen van ongeveer gelijke snelheid start, wordt het zwemmen toch al snel een gevecht. Iemand pakt mijn voet vast om zich aan op te trekken. Ik trek mijn been in, tel tot twee en trap dan hard schuin naar achter. Mis. Jammer. ‘Blijf focussen op de techniek.’ Al na minder dan een kilometer denk ik ‘Wat een eind’. Na een kilometer of twee vind ik een medezwemmer die met een lange rustige slag net iets sneller zwemt dan ik en waar ik lekker in de slipstream hang. De zon schijnt door het blauwgroene water en als twee trage, tevreden zeekoeien zwemmen we een vreedzame slag. Dit is genieten. Het duurt maar even. Dan zwemt hij verkeerd en ga ik op zoek naar mijn volgende zwemmaat.

In de wisselzone rent mijn vriendin langs het hek met me mee op. Daar ben ik blij mee. Vanaf april ontplofte mijn baan en werkte ik drie avonden per week buiten de deur. In het weekend fietste ik wat langer en ik was dus bijna nooit meer thuis. Het huishouden liep door. Ik dacht: ‘Als ik in juli over de finish kom, dan gaat mijn vrouw scheiden.’ En nu was ze nog steeds bij me. Triathlon is volstrekt inhalig. Het vreet tijd, geld, slurpt het vet uit je botten. Je moet voorzichtig tegen me aan gaan liggen, anders kan je je lelijk stoten.

Ik pakte mijn fiets en rende de wisselzone uit. ‘Het ging super.’ Ik had mijn schoenen met elastiekjes vastgezet, maar één schoen zat los en sleepte over de grond. ‘Oppassen met opstappen zometeen.’ Ik liep de wissellijn over en mijn fiets deed vreemd. Ik focuste op wat ik precies voelde: ‘Lekke band. Daar gaat mijn toptijd. ‘

Als normaal, tijdens het fietsen, je band leegloopt, stop je en wissel je de binnenband. Met een handpompje krijg je er 5 bar in en niet de 8 bar waar je eigenlijk mee wilt rijden. In de wisselzone stonden wel goede pompen. Ik draaide om en rende met de fiets aan de hand terug. Ik werd het parcours afgestuurd, maar naar de verkeerde kant. Nu kon ik niet meer in de wisselzone komen. Ik zette mijn fiets tegen het hek en haalde mijn voorwiel eruit. Er kwam een official polshoogte nemen en hij liet me toch door naar de wisselzone. Ik vond een pomp en wisselde snel en efficiënt mijn band zoals ik ook geoefend had. Ik sprong op de fiets en spoot er vandoor. ‘Dit klopte niet.’ Als ik keek hoe hard ik trapte en hoe snel ik reed… Nog even proberen, toch even kijken, nog even door… ‘Nee, dit kan echt niet.’ Ik stopte en draaide aan mijn voorwiel. Scheef. Ik maakte het wiel los, zette het recht en draaide het vast. Even checken. ‘Yes. Go!’ Ik heb er niet meer over in gezeten, maar later bleek dat het me al met al minstens 13 minuten kostte.

Nadat mijn werk ontploft was, kwam ik pas half mei aan de echt lange ritten toe, zo richting de 180 km. Maar toen had ik nog maar zes weken om lang te fietsen. Vier van de zes lange ritten mislukten: te koud, te warm, volledig dood na het tweede stuk van 1 uur en 20 minuten tegenwind. Fietsen kan echt meedogenloos zijn. Ik ging behoudend starten. Gelukkig woei het niet in Frankfurt.

‘Hoe triathlon gelukkig maakt:’

Stel je voor dat je een prachtige wandeling maakt door een mooi bos in de lente. En stel je nu voor dat je een prachtige hardlooptocht in datzelfde bos maakt terwijl je helemaal uitgerust en fit bent en de adrenaline, endorfine en dopamine door je heen buitelen.

Stel je voor dat je een lekker bord pasta eet. En stel je voor dat je datzelfde bord pasta eet terwijl je uitgehongerd bent en dat bord pasta precies de voedingstoffen bevat die je nu net het hardste nodig hebt. Stel je voor dat je maar een beetje voor je uit leeft. En stel je voor dat je maandenlang in een precieze balans van training en herstel leeft waarin je steeds sterker, leniger en fitter wordt terwijl je de hele tijd in de lente prachtige boswandelingen maakt en overheerlijke pasta’s eet.

Al dat geluk was ver weg. Voor me lag een weg zonder schaduw, zonder schoonheid, zonder einde. Een harde droge wind pal tegen. Het woei wel in Frankfurt. Ik was net voorbij het bordje van 50 kilometer gereden. ‘50 kilometer! Dat is nog 135 km fietsen en een marathon te gaan. 50 is niks.’ Ik schakelde een tandje terug en knipte de afstand in stukjes. Eerst maar het eerste rondje.

Het grootste gevaar is blessures. Ik ken mijn zwaktes en rekte me er soepel doorheen. De maandag voor De Hele liep ik op de avondvierdaagse 5 kilometer met mijn zoontje. 5 kilometer is op een slechte dag 20 minuten rennen, maar vandaag was het twee uur slenteren. De pijn aan mijn achillespees kwam op en werd zo erg dat ik volgende dag bij AmstelFysio lag om gedryneedled te worden. Benieuwd hoe ik komende zondag zou lopen.

Ken je dat, dat je ’s nachts piekerend wakker ligt? Dat kan je lichaam ook. Signaaltjes naar je hoofd sturen: hm, voel ik hier nou iets? Ik voel hier wel iets. Ja, ik voel wat, en het wordt erger. Terwijl de kilometers zich aaneenregen balden de signaaltjes zich samen tot een knoop van pijn op de plek aan de achterkant van mijn bovenbeen die de fysiotherapeut al had aangewezen. ‘Niet op letten. Het wordt erger of het gaat weg.’ Het ging weg.

Het plan was fris aan de start van de marathon te komen. Als de marathon goed was, zou mijn eindtijd ook goed zijn. De eerste kilometer moest ik nog afremmen, maar daarna had ik het goede tempo te pakken. Na een kilometer of zes kroop mijn kilometertijd omhoog met 10 seconden. Ik zette even aan om het recht te zetten en onmiddellijk zaten mijn hamstrings net voor een kramp. Rus-tig-bij-ven-lo-pen. Ont-span. De kramp trok weg.

Ik ging op zoek naar zout bij de drankposten en de rest van de marathon liep ik aan de grens van de kramp. Soms was hij weg, soms knabbelde hij aan mijn kuiten, maar hij kreeg niet beet. In Frankfurt is de marathon vier rondjes. ‘Het gaat om rondje drie. Als ik die gehad heb, lukt rondje vier altijd wel.’ In elk rondje zat een stuk van vier kilometer windstil in de volle zon, een graad of 30. Daarna ging het wel weer. Tegen kilometer 40 moest ik nog een keer omhoog de brug over. Mijn voeten plakten aan het asfalt. Dit was een heel andere pijn, veel intenser. Maar ja, die laatste twee kilometer kwam ik ook wel door.

Richting de finish ging het alweer een stuk beter. Ik nam de tijd om te genieten. Daar was mijn vriendin! Ik schoot telkens net niet vol. 11 uur 57 minuten! Wat een pracht van een eindtijd. Gehaald, gehaald, gehaald! Ik ben een Man van IJzer!

Geschreven door: Gerard Jager (IRONMAN)

37670615_10214342131201508_8138225820553445376_o

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *