‘Tjebbe Venema, you are an Ironman’

Naamloos-1

Een week na dato heb ik nog even opgeschreven hoe ik Ironman Frankfurt heb beleefd.

En ik had me nog wel zo voorgenomen de laatste meters heel bewust te beleven. De woorden van de speaker in me op te zuigen en nooit meer los te laten: ‘Tjebbe Venema, you are an Ironman’. Maar het gaat aan me voorbij. Achteraf zal ik moeten vragen of het überhaupt wel gezegd is. Niet dat ik eraan twijfelde of ik inderdaad wel de hele afstand afgelegd had, of dat ik verwachtte dat dat ene zinnetje iets wezenlijks zou veranderen, maar toch. Het zal je maar gezegd worden. Hoe ik het heb kunnen missen? Simpel. Ik was er niet. En toch ook weer wel. Ergens vandaag moet ik mezelf verloren zijn, om mezelf ook weer terug te vinden.

De weken voor de wedstrijd ben ik gespannen. Moe en gespannen. Ik voel de onrust in mijn buik, zoals ik als middelbare scholier buikkrampen kon krijgen richting een schoolexamen. In mijn hoofd temper ik de verwachtingen. Onder de 9:30 uur is prima en vooral geen teleurstelling meenemen naar het fietsen en lopen als je toch pas na een uur en vijf minuten het water uitkomt. ‘De race is long, and in the end, it’s only with yourself’, herhaal ik het beroemde nummer van Baz Luhrmann. Om de vermoeidheid eronder te krijgen slaap ik, wanneer het even kan. Het lukt me zelfs om voor het eerst in jaren weer eens te onthouden wat ik gedroomd heb. In de tweede wisselzone zijn mijn hardloopschoenen onvindbaar. Ik struin de rekken af, zoek in de omkleedtent, zonder succes. Om nou te zeggen dat ik badend in het zweet wakker word, is te veel van het goede, maar het houd me duidelijk bezig, die wedstrijd. En heel gek is dat ook niet. Waar ik enigszins tegenvallende resultaten in eerdere races dit seizoen (hongerklop door fout met sportvoeding in Bilzen en matig looponderdeel op de halve Ironman in Kraichgau door maagproblemen) kon afdoen als slechte generale repetities, is er nu geen excuus waar ik me achter kan verschuilen. Opvallend is dat de spanning afneemt naarmate de wedstrijd dichterbij komt. Na de registratie, de racebriefing en het inchecken van fiets- en loopspullen, voel ik me rustiger worden. Er is geen weg terug, weet ik ook. En hoewel dat een beangstigende gedachte kan zijn, creëert het nu vooral ruimte. Ik geniet van de laatste trainingen, de drukte in Frankfurt en het circus dat Ironman heet. Vanaf het opstaan om half vier ’s ochtends tel ik de uren tot de start. Mistflarden boven de Langener Waldsee laten zich verdrijven door het vroege ochtendlicht. Het wordt warm vandaag. Hoe ruim je de tijd ook neemt, je voelt je toch altijd een beetje gehaast, zo vlak voor een wedstrijd. Dat zal altijd wel blijven. Nog maar een keer checken of alles in de tasjes zit, nog maar een keer het loopje van strand naar fiets doornemen. Daar hangt ‘ie, tweede rek, linkerzijde, vlak voor de tweede boom. Dan is het tijd om naar de start te vertrekken. Roy en ik maken ons los van Carla, zijn moeder, Mariska, zijn vriendin en Michiel. De rest van de dag zullen zij, samen met Ruben en nog een aantal anderen, onze trouwste supporters zijn.

Het is een indrukwekkend gezicht, het leger blauwe en roze, maar vooral blauwe badmutsen dat we voor ons zien als we van het duin afdalen naar de zwemstart. De pro’s zijn net vertrokken. Nog een laatste high-five, nog een laatste keer wensen we elkaar succes. De kans is groot dat we elkaar pas een goede negen uur later weer zullen treffen op de Römerberg in het centrum van de stad, na het passeren van de finish. Vanaf nu is het ieder voor zich. Het zwemmen verloopt rommelig. Meteen is duidelijk dat veel atleten hun zwemtijd te optimistisch hebben ingeschat en in een te snel startvak zijn gaan staan. In het gedrang bij de eerste boei die gekeerd moet worden, wordt mijn brilletje van de neus gestoten. Ik zet hem terug, vol water. Gelukkig komt er een landgang aan, zodat ik kan afgieten. Ik blijf rustig, slik een hap water weg en zet koers richting strand. Het is heerlijk om even het water uit te mogen, een kort stukje rennen, waarna de laatste 2300 zwemmeters op ons wachten. Helaas ga ik hier de mist in: helemaal aan de linkerkant van het veld ren ik het water weer in. Omdat ik geen benen kan vinden die me bevallen, zwem ik alleen en noodgedwongen een beetje links van de boeien, zodat ik andere zwemmers kan inhalen. Wat betekent dat ik bij elke boei, die aan de linkerkant gepasseerd moeten worden, terug het gedrang in moet. Het frustreert. ‘Wat een teringeind’, denk ik, net voorbij het verste punt. Na een uur en 51 seconden voelt de vaste grond bevrijdend onder de voeten. Omdat ik een boei geraakt heb en mijn horloge op pauze is gegaan, heb ik echter geen idee van die tijd. Door het mulle zand het duin weer op ploeter ik me een weg de wisselzone in, naar mijn tasje met fietsspullen en naar mijn fiets. Toch altijd een goed gevoel, om dat zwemmen achter je te hebben.

Het eerste stuk van het fietsparcours is rap. In een rechte lijn rijden we in ongeveer zeventien kilometer van de Waldsee naar het centrum van Frankfurt. Ik probeer mijn wattages in de gaten te houden en de hartslag, die doorgaans in de wisselzone het hoogst is, naar beneden te krijgen. Dat lukt, terwijl ik fietser na fietsers passeer. Water is blijkbaar meer hun element. De stad uit begint het pittige deel van het fietsparcours. Er staat wind en het is veel op en af. Toch vliegt de eerste fietsronde voorbij. Het klinkt misschien een beetje gek, maar op twee momenten schiet ik bijna vol. Na acht maanden van training is het eindelijk zo ver. Acht maanden die vandaag samen moeten komen. Acht maanden van eenzame virtuele fietskilometers op een onverwarmde zolder. Acht maanden van drie keer in de week zwemmen. Acht maanden van gezamenlijke duurlopen, fietsritten en open water zwemsessies met Ruben, Michiel en Roy. Zo vaak zat ik op een druilerige dinsdagavond na een lange, pittige intervalsessie met een bord eten aan tafel, terwijl ik probeerde te ontrafelen of mijn lijf inderdaad behoefte had aan voedsel, aan drinken, of dat ik toch nog een keer naar het toilet moest. Ik denk ook terug aan de – toch wel moeizame – voorgaande twee seizoenen, waarin trainingsarbeid zich zo vaak niet liet vertalen naar resultaat in de Ere- en 1eDivisie competitie. Te vaak liet ik twijfel en zenuwen de overhand nemen. Niet vandaag. In zekere zin voelt de keuze voor de lange afstand als een terugkeer naar mezelf. Dit was wat ik me bij een triatlon voorstelde toen ik me drie jaar geleden aanmeldde bij de Dolfijn. Dat ik nog geen vijfentwintig meter kon zwemmen, nou, dat zou nog wel komen. Aan dat idee houd ik me vast als ik het halverwege de tweede fietsronde zwaar begin te krijgen. De wind speelt me parten en zo makkelijk als ik even daarvoor de pedalen rond kreeg, zo moeizaam voelt het nu. Ik moet de groep die al zo’n tachtig kilometer op gepaste afstand in mijn wiel zit, laten gaan. Ik probeer geen conclusies te verbinden aan mijn plotselinge inzinking en blijf doortrappen, zo goed als het gaat. En zowaar, het blijkt van korte duur. In de laatste dertig kilometer richting Frankfurt, richting het looponderdeel, kom ik de dip te boven, kan ik weer versnellen. Terwijl ik eerst de groep weer bijhaal en dan achterlaat, verbaas ik me over de flexibiliteit van de geest. Na 185 kilometer, iets minder dan vijf uur, kan ik ook dit onderdeel afstrepen.

De eerste kilometers na het verlaten van de wisselzone gaan vlot, te vlot. Nu weet ik dat het begin op adrenaline gaat: de stress van de wissel en de aanmoedigingen van toeschouwers doen je vliegen. Ik heb me voorgenomen om op vierenhalve minuut de kilometer te vertrekken, maar zelfs als ik voor mijn gevoel vertraag, blijf ik ruim onder die tijd doorkomen. Ik geniet van de support, van bekenden die zich langs het parcours hebben opgesteld, maar ook zeker van vreemden. ‘Vegan power’, roept een vrolijke vent in de bocht naar de eerste brug en even vraag ik me vertwijfeld af hoe hij dat nou weer weet. Tot ik besef dat hij dezelfde aanmoediging voor elke andere deelnemer gebruikt. Ondertussen blijven de kilometers rap wegtikken, terwijl ik me verder en verder afsluit. Steeds dieper word ik een vacuüm ingezogen, een wereld in die bestaat uit automatismen: een oneindige herhaling van longen die zich volzuigen met lucht om dan weer uit te blazen. Van voeten die werktuigelijk op het asfalt slaan. Behalve de vele aanmoedigingen die ik dankbaar in ontvangst neem, is er niets dat tussen mij en mijn ritme in komt. Routineus doe ik elke drankpost aan: iets vertragen, gebruikte sponzen weggooien, bekertje water aanpakken en leegdrinken, doorlopen naar achteren, nog een bekertje water aanpakken en leegdrinken, ijs aanpakken en in mijn nek kieperen, twee nieuwe sponzen aanpakken, waarvan ik er een leegknijp in mijn pet, om ze dan als schoudervulling in mijn pakje te steken. En dan elke zeven kilometer een flinke slok uit de handbidon met sportvoeding die ik op mijn borst draag. Ik geniet van de spontaan gevormde structuur, zoals ik als kind tevreden kon constateren dat alle autootjes op mijn bureau perfect geordend uitgestald stonden.

Als ik de laatste loopronde inga, nog iets meer dan tien kilometer te gaan, is er even weer dat stemmetje dat ik zo goed ken uit eerdere wedstrijden. Misschien is het de warmte. Misschien is het uitputting. Misschien het feit dat hardlooptrainingen zich beperkten tot een maximum van dertig kilometer﹣en dit dus onontgonnen terrein is. Voor het eerst sinds de start van de marathon, begint het harnas dat ik om mezelf heen opgetrokken heb, scheurtjes te vertonen. Plots voel ik de hitte, het gewicht in de benen en de van bloedblaren opgezwollen tenen. Nu wordt het zwaar, weet ik, hier ben ik voor gewaarschuwd. Een paar keer denk ik aan kramp, hoe dat ook nu nog, roet in het eten kan gooien, maar het blijft me bespaard. De drankpost-routine beperkt zich inmiddels tot het aannemen en opdrinken van een glas cola. Zo sleep ik me de laatste ronde door, tot het verlossende punt waar ik niet linksaf sla, de volgende loopronde in, maar rechtsaf, het zwart-rode tapijt op. ‘Tjebbe Venema, you are an Ironman’, moet iemand geroepen hebben. Na negen uur en elf minuten zit het erop. Ik ben vierde in mijn agegroup, achtste agegrouper overall. Het zal me achteraf verteld moeten worden. Het doet er ook even niet toe. Vervuld van blijdschap en trots passeer ik de finishlijn. De balast is gelost. De ruimte is oneindig, weet ik nu. Als je maar de grens verlegt.

37184650_10157533180673098_3766631879881523200_o

37281021_10157533180678098_601187398717538304_o

37251583_10157533180658098_3394949859671801856_o

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *